De rechtstreekse vordering ingesteld met aangetekend schrijven verhindert de toegang tot de rechter niet

23/06/2021

Op vraag van de ondernemingsrechtbank van Gent, diende het Grondwettelijk hof na te gaan of art. 1798 oud BW verenigbaar is met het recht op toegang tot de rechter.

Het Grondwettelijk Hof antwoordt bevestigend en wel om deze redenen:

  • de uitoefening van een rechtstreekse vordering niet aan vormvoorschriften onderworpen is, zodat de rechtstreekse vordering hetzij bij dagvaarding, hetzij bij aangetekend schrijven, hetzij in een andere vorm kan uitgeoefend worden.
  • de uitoefening van een rechtstreekse vordering bij aangetekend schrijven de onderaannemer [onder-onderaannemer] geen uitvoerbare titel verleent ten aanzien van de bouwheer [hoofdaannemer]. De rechtstreekse vordering heeft enkel de onbeschikbaarheid van de vordering van de onderaannemer op de hoofdaannemer tot gevolg.
  • de rechtstreekse vordering ongeacht haar vorm tot gevolg heeft dat de rechter bij wie een vordering tot betaling van de aannemer [onderaannemer] tegen de bouwheer [hoofdaannemer] aanhangig is, geen uitspraak kan doen over het geheel van de vordering vooraleer de rechtstreekse vordering is afgehandeld.
  • de uitoefening van de rechtstreekse vordering niet tot gevolg heeft dat de aannemer [onderaannemer] geen rechtsvordering tot betaling tegen de bouwheer [hoofdaannemer] kan instellen. Evenmin heeft zij tot gevolg dat deze rechtsvordering onontvankelijk of ongegrond wordt.

Volledig artikel en bron : Schoups 

Gerelateerde opleidingen

Tijdens onze MiD Zomer hebben we een aantal topics uit het gerechtelijk en procedurerecht voor u op het programma:

Nieuws per domein

Meest gelezen

Let's connect